maandag 29 juli 2013

Ontspannen is inspannen IV (slot)

III. (aka Koning Eénoog)


Het geval wil dat ge nu reeds meer dan een jaar half blind zijt. In den verstreken tijd had ge alleen naar uw binnenste te kijken en vast te stellen dat ge al halfblind waart lang voor kersepit en pikhouweel door uwe schedel werden gedreven. Ge leed in een roes aan staar waar het u ingeloste erkenning leek. Ge leed aan tunnelzicht zonder notie van het gebergte aan in stukken gespleten brokstukken rond u. Ridderlijk gezeten op Schaampaard draagt gij zijn oogkleppen als een Zotskap.
Maar ach... dat halve paar ogen kunt ge nog vereenzelvigen met het halve leven dat ge ondertussen achter de rug hebt. In het Rijk der Blinden is Eénoog koning. En met één oog hoopt ge voorzichtiger nergens tegenop te lopen, beter de diepte in een ander te peilen, de afstand tot een ander, de nabijheid van een ander...

EINDE

Ontspannen is inspannen III

II.


In M. doet ge u lukraak De voorstad groeit cadeau, een oud exemplaar uit de editie met het ganse voor- en achterplat opgetrokken uit een vlaamse bakstenen muur en daarop in ’t veel kleiner een ooit uit diezelfde klei getrokken vlaams gezin, of neen, geen gezin, maar de doorsnee der mensen die aan den arbeid zouden moeten, of niet aan den arbeid kunnen, of niet aan den arbeid willen, maar daar precies zomaar aan de kant van de weg onverschillig staan te staren: naar Schaampaard, het te verwaarlozen schamele vlaamse paard… naar de Voiture en de onbemande mechanieke wals, samen op drift over nieuwe vlaamse straten en steenwegen… naar Gars die achter het hoekske Gardine in de grond nagelt, want er moet ook gejongd worden, opdat de voorstad zou groeien, zonder dat men daarna nog naar z’n jongen zal omkijken… En zonder al een letter tot u te hebben genomen, denkt ge er u bij dit tafereelke nog twee klopgrage vlaamse gendarmes bij, met onder hun neus een franse snor.


Zo snel als uw vodde benen u dragen kunnen, rept ge u met het boek in uw oksel terug naar huis en begint ge te lezen, en het duurt niet lang voor ge niet meer kunt stoppen met lezen: wat ge anders de Literatuur niet durft aandoen, doet ge eerst schroomvallig en altoos verwoeder met onderstrepen, uitroepingstekens en vlugschriften in de marge, terwijl het u ondertussen onophoudelijk schrijnt en schreit vanbinnen, want daar in de voorstad is het één doffe, gedetermineerde stilstand: de geest van de kleine man, vol vragen waarom, en het hart van de kleine man, vol vage verlangens naar den einder, ze schieten alle kanten uit: bonk! bonk! bonk! tegen de isoleercel die zijn schedel is, boemdedoem! boemdedoem!, tegen zijn borstkas, zijn keurslijf. Maar er is gelijk niks geen impuls die de stem of ledematen van de kleine man zinvol doet verheffen of in beweging zet, er is alleen die onzichtbare snaar die vanuit zijn kruin naar de hemel reikt en daar of waar dan ook wat atonaal bespeeld wordt en het op een dag pardoes begeven zal: zo klinkt onverschillig de Muziek der Sferen, in de voorstad en misschien ook overal elders.

En tegen het einde aan van de cyclische voorstedelijke ellende waar geen einde aan komt, kropt u iets de keel toe, wil de lucht waar ge naar happen moet niet naar binnen trekken, zoekt het bloed naar een bres in uw aderen… want daar staat… ge wist echt niet uit welkeen van de in stukken gekapte romans van Boon … daar, neen!, hier!, hier vlak onder uwe neus, onder uwe bijna bloedneus van de suizende druk... hier staat waarmee de knappe Vrouw uw nachtelijk en beneveld spoedbericht over de kruisdracht in elk van ons beantwoord heeft. Uw euforie is zoals wanneer ge een favoriet lieke voor u uit loopt te neuriën en dat ge, wanneer ge vijf minuten later de radio opendraait, hoort weerklinken, als een sinjaal uit de Ether, om u te zeggen dat het u goed gaat, dat er in het Grote Boek der Voorspoed naast uwe naam nog eens een kruiske wordt gezet en ge er weer voor een jaarke tegenkunt. En zijn niet alleen alle radiophonen, maar ook alle phonographen en klankspoelen die allergelijk dat fraaie Lieke spelen.



Ge zult er nooit bij kunnen hoe ze het flikt, de knappe Vrouw, wier Muzische voorzienigheid ge nu onmogelijk nog betwijfelen of als een stoemelings toeval verklaren kunt, maar ge stelt het u alzo voor: met haar heel speciale ogen heeft ze uw roerselen doorgelicht en u met haar zangstem een toverzin ingefluisterd, ze heeft uw marionettenkoordjes beroerd en u aan het lopen gebracht, al is ’t op vodde benen – beter dat dan dat ze de koordekens afknipt en u daarmee geselt en aan het kruis vastbindt en u met wat ze daarna nog aan koordekens overhoudt verder geselt – en ge trekt een volgende gedachtestreep, zo: - dat ze u foltert is misschien niet geheel bezijden de waarheid. Ze initieert u in de echte Boon, in het echte Leven, waarin ge u vragen stelt als: "Hebt ge dat ooit van een beest geweten? Ze eten en slapen, ze drinken, paren en gaan dood, en ze zijn gelukkig. Wij niet, wij hebben het verstand dat ons doet vragen: waarom? En datzelfde verstand dat ons zegt: er is geen waarom, en als er toch een waarom moest zijn dan is er geen antwoord op."

En wat Boon nog in u aanricht? Hij gaat in u tekeer met zijn tweesnijdend zwaard: ge zijt er u stilaan van bewust dat ge Boon in uw jonge jaren misverstaan hebt, dat het opstandig dikke Geuzenboek toen nog niks voor u was en Mieke’s uitdagende spleet een spottende grimlach. En het was niks niemendal abusievelijk dat ge Boon hebt geloosd, maar was het hij die stillekes heeft zitten wachten tot ge u nog eens overgaf aan het Kortstondige Vergeten, om dan op zijn veel te korte beentjes aan uw waandacht te ontsnappen, u al toeroepend: "Salut en de kost, ik bol het hier af, en knoop het goed in uw wijd afstaande oren, snotneus: het is Mieke bijlange niet om uw zaad te doen!"

Vele maanden later, wanneer ook gij al zijn boeken in uw kast hebt verzameld, want straks is het 100 jaar geleden dat Boon in 1912 ter wereld kwam, kunt ge niet meer aanzien hoe Boon zich anno 2000-en-zoveel in zijn graf draait en keert en met zijn veel te korte beentjes blind voor zich uit spartelt naar schenen om ze bont en blauw te stampen, hoe hij het zonder licht in de duisternis in zijn vingeren voelt jeuken om den 21ste-eeuwse mens verder een geweten te schrijven. ’T is omdat gij dat allemaal niet meer kunt aanzien dat ge dit allemaal opschrijft voor de knappe Vrouw, waarvan ge nu toch verlangt dat ze u gauw weer terug schrijft, dat ze u dus niet afvalt, maar dat ge haar ook zult melden dat het met die schrijverij van u toch niks wordt, dat ge niks anders kunt dan Boon na te praten en z’n kromme zinnen te herschrijven... 'T is allemaal daarom dat ge u op ne morgen laat inlijven bij de bende van jan de lichte, om met een lap over uw kersepittenoog, dat al lelijk lang ontstoken is, en met uw nog immer dienstwillige garderoe de omhooggevallen mensenwereld zonder boe of bah de kop in te slaan. Maar ge hebt uw knuppel met knots nog niet goed en wel bovengehaald, of een van uw kompanen vergist zich van vijand en slaat zijn pikhouweel dwars door uw goeie rechteroog.

zondag 28 juli 2013

Ontspannen is inspannen II

I.


Het is de dag waarop ge zevenendertig wordt en van de knappe Vrouw, aan wie ge hier verder niet zult denken, ontvangt ge een klein onooglijk stukske papier met daarop gekribbeld in haar averechtse handschrift een citaat van Louis Paul Boon, uit ge weet niet welkeen van z’n illegale schrijfsels. Ge hebt ze altijd geweten in de volgestouwde kasten van uw vader, de boeken van Boon, maar nooit ter hand genomen. Behalve het opstandig dikke Geuzenboek, waarmee ge als jongeling eens een aanvang hebt genomen, omdat u dat dikke wel opstandig stond, maar waarin ge niet hebt volhard, daar ge u al snel overgaf aan het aanschouwen van Miekes blote kont een paar ruggen verder, aan het opgloeien van uw afstaande oren en het zwermen van het prille zaad tussen uw spille benen. En uw verdere komende tijd daaraan toegevende, moet ge Boon eens per abuis mee in de Opgespannen Leegte hebben geloosd, in het Weldadige Niks.


En zeg het maar gelijk het is: ook nu, in de verstrijkende tijd na uw jeugd, geeft ge u daar al eens aan over, niet om te genieten van wat dadelijk komt, maar om kortstondig te vergeten, om alles eens een stonde achter u te laten zoals een ander een existentiële zucht zou slaken, om van u af te schudden wat u steeds opnieuw bezighoudt. Angstvolle gedachten aan de Dood bijvoorbeeld, wanneer ge bang zijt het dorpsplein over te steken, waar na de zondagsmis twee ouwe dozen jan en alleman nog wat staan te beklappen, terwijl ge onder hun aftandse rokken de onherroepelijke aftakeling en de onafwendbare dood ziet waren en ge haastig rechtsomkeer huiswaarts snelt, opdat hij, Pietje, u niet zou opmerken en wegplukken. En meer nog dan uw gedachten aan de Dood, uw vele vragen bij het Leven, zoals ge er bijvoorbeeld niet bij kunt waarom de mens niet minder blijft dan wat hij altijd maar meer wil zijn, waardoor twijfelaars en onzekeren zoals gij zich slecht op hun gemak beginnen te voelen als mens onder de mensen: zoals op de stadsadministratie van M., waar ge werkt, waar ze u uitroepen tot Ambtenaar der Welstand der Huizen en Gevels en ge moet beslissen over schoon en lelijk, maar niet moogt laten merken hoe besluiteloos ge daarin zijt en dat u dat steeds minder afgaat, dat er dagen en zelfs weken zijn dat ge niet tot werken in staat zijt en verdroten voor u uit zit te staren en ge ten langen leste moet besluiten dat u alle dagen eender zijn geworden: de zon die opkomt en ondergaat, en alles wat in tussentijd wordt opgebouwd en afgebroken, het is u altijd weer wat meer en altijd weer wat minder van hetzelfde. En het stemt u bitter dat de verbittering uitgerekend bij u, met uw peperkoeken hart, zo hard toeslaat en dat ge aan die verbittering zo precies geen einde kunt stellen.
En waarmee ge na het Kortstondige Vergeten Troost aan uw zijde tracht te houden, dat zijn de Koffie en de Tabac, het Bier en de Wijn, de Literatuur en de knappe Vrouw, aan wie ge hier niet te hard durft denken, maar waarbij ge al eens uw hart uitstort, omdat ge dat zo moeilijk laten kunt, over iets dat ge aan het lezen zijt waarin het minste geringste u aangrijpt, bijvoorbeeld de parabel van Pär de Zweed over Barabbas, dat kleine bijfiguurke uit de Bijbel, in wiens plaats Jezus aan het kruis gaat hangen, en die al vragend, zoekend, twijfelend en met de berg Golgotha op zijn rug moet verder gaan door het leven, gelijk een mens, en die eens zelf aan het kruis genageld tot uw verbazing uitroept: "In uw genade beveel ik mijn geest", wat gij, die een mens zijt, weigert te lezen als een belijdenis en zelfs in uw laatste uur niet over uw in azijnwater gedrenkte lippen zout krijgen.


Zo gebeurt het dan - het is ondertussen nacht geworden en de parabel van Barabas is uit - dat ge overschakelt van bier op wijn en stoutmoedig wordt en de knappe Vrouw, waaraan de gedachten uit hun hoekske zijn gekropen, een spoedbericht stuurt met uw aanvoelen van de kruisdracht in elk van ons, waarvan ge ’s ochtends niet meer weet wat ge daar nu weer mee zeggen wou, of verzaakt hebt te zeggen, en ge dan meewarig uwe houten kop er af schudt om af te geraken van de benevelde pathetiek waarin ge weer veel te ver zijt doorgeschoten. Maar ziedaar, dan toch, op het onverwacht, op diezelfde ochtend, op de dag waarop ge zevenendertig wordt, op een onooglijk en verfrommeld stukske papier, antwoordt u de knappe Vrouw, waaraan de gedachten u nu krioelend bekruipen, met een woordje van Louis Paul Boon, uit ge weet niet welkeen van zijn kromme geschriften: "Ik lach er mee, maar ik vraag mij af waarom de mensen niet gebleven zijn lijk de andere dieren, waarom wij en wij alleen moesten gekruisigd worden met die hel van het verstand dat alles wil ontleden en begrijpen, en dat ons niets bijbrengt dan vloeken en tranen." Ge herleest het en ge leest het nog eens en ge zijt volledig van uw melk. Ge herleest het en ge leest het nog eens en ge draait het papierke al eens om en om... Ze roept u toe! Ze roept u toe gelijk ge u dat voorstelt van een Muze, die u voorziet van de troost die ge nu nodig hebt en u datgene aanreikt waarmee ge straks weer verder kunt!
Ge wrijft u stevig het linkeroog uit, dat u gisteren door een wielewaal was ondergescheten - ’t doet u zelfs nog wat zeer, voorzeker moet er een kersenpit tussen hebben gezeten – en op vodde benen trekt ge een nieuw jaar in, op zoek naar Boon.

zaterdag 27 juli 2013

Ontspannen is inspannen I

Een misbaksel, ne zwartgeblakerde pot van vier los aan elkaar geknoopte, neen gelijmde scherven: triviaaltjes die ge in uw handen warmkneedt en boetseert tot verklaringen waarmee ge eer en aanzien, omkijken en bewondering hoopt te behalen, maar waarin er van uzelf niet veel meer overblijft dan de naargeestige contouren van een schim, dien het nog niet naargeestig genoeg is en zich verschuilt achter de nog schimmigere schim van een klein ventje op veel te korte beentjes, dat al lang dood is, en begraven.

Proloog: Het minste geringste grijpt u aan


Ge zit aan uw bureau op de stadsadministratie van M., maar ge zijt niet tot werken in staat. Uw geest jakkert alle kanten op, ne zotte kop vol chemie - of is dat uw hart? – bonk! bonk! bonk! tegen de isoleercel die uw schedel is - in het andere geval uw borstkas… uw keurslijf. "Stoer vanbuiten", zegt de eerste die het is opgevallen en u heeft uitgehoord over uw gemoed – stoer?, waar gaan de mensen u nog allemaal van betichten? – "maar met een peperkoeken hart". En de tweede ziet het u ook aan en zegt het de eerste na, enzovoort… enzoverder…

Dus toch uw hart. En is het van peperkoek, dan wordt ge eens om de zoveel dagen gewaar dat er stevig aan geknabbeld wordt. Zoals vandaag. Zoals wanneer ge niet bij komt van al dat schoons in de wereld… wanneer ge er niet bij kunt hoe ze al dat schoons aan stukken kunnen rijten... wanneer dus het minste geringste u aangrijpt, ook al is het schoon, ook al is het lelijk... Of omdat ge zelf nimmer aarzelt wat van de peperkoek met een ander te delen om de last die ge meedraagt te verlichten, maar het daarna nog altijd voelt knagen, want het minste geringste is voor een ander toch maar bijzaak… En hetzelfde met de kruimels en de spoorkes kaneel die ge al heel uw leven lang op een hoop loopt te vegen en altijd weer opnieuw in het rond strooit, en altijd zonder nadenken en nog vaker wanneer ge rondloopt met een stuk in uw voeten… En ten langen leste omdat het énige dat ge met uw deelzaamheid wilt bereiken - en ge zijt ontzet, want ge zijt nu voor deze ene keer eens eerlijk tegen uzelf – is dat men van uw peperkoek proeft en blijft proeven…. En omdat ge stoutmoedig wordt wanneer ze u om het recept van uw peperkoek bidden en ge dan haastig vanachter uw heetgeblakerd fornuis komt geschoten voor ne rondgang langs de hoog opgetaste rekken van uwe ziel… En omdat ge daar dan zo in opgaat dat ge zelfs vergeet te vragen, neen, er al van in den beginne niet aan gedacht hebt te vragen - ongelikte eenzelvige commercant die ge zijt! - halvelings voor uwe neus weg, dat is: beleefdheidshalve, al was het maar dit: "En wat bakt gij er zoal van?".

Hier begint ge nu toch op door te peinzen, hoewel zopas nog iets anders door uw hoofd spookte, maar dat ge ondertussen willens nillens al een stap verder hebt overdacht en ondertussen zijt vergeten. Nog een stap en ge begint gegarandeerd te twijfelen aan het nut van al dat in beeldspraak gebakken koekebrood! En dan staat ge daar met uw mond vol peperk… euh… Maar ge gaat zo ver nog niet, want waar uw hart vol van is, daar stroomt u de mond gestaag van over - als het van uw maag zou opspelen, slikt ge dat toch ook niet opnieuw terug door? Of van de andere kant bekeken… laat maar, het zal wel al lang goed zijn zo!

Ge pakt snel al uw dwalende gedachten bijeen en peinst verder, want ge bedenkt dat ge de receptuur van uwe peperkoek toch niet kunt laten ontfrutselen door de eerste de beste? Toch ook niet - en het is dan vooral - als u vanachter een stel wonderlijke gebroken ogen een suikerhuiske voor den afzet van uw commerce verschijnt? Herinnert u op tijd dat sprookske, dat zoet begint, maar bitter eindigt, waarin elk zich aan beider ontroostbaar- en onontkoombaarheid vastklampt en spijzigt…. en vult aan met wat ge nog maar kortelings in dien trant hebt geschreven: "En van de akker tot aan de molen hobbelt en botst uw kar over de kaduke kasseien, en ge merkt al eens dat ge niet bij hebt waarmee ge vertrokken zijt, en eens kijkt ge achterom en ziet dat de vogels er mee gaan vliegen, met uw koren of het is al gelijk, waarop die vlerken u uit dank, om het u zo te zeggen, een oog onderschijten."

Zicht op Antwerpen met een dichtgevroren Schelde

Over Teju Cole en W.G. Sebald, noodgedwongen...


I.
"Instinctief een baby redden, een zweem van geluk; een tijdje onder Rwandezen verkeren, de overlevenden, een zweem van verdriet; het idee van onze uiteindelijke anonimiteit, weer een zweem van verdriet; seksueel verlangen dat zonder complicaties in vervulling gaat, weer een zweem van geluk, en zo ging het maar door, terwijl de ene gedachte de andere opvolgde. Hoe banaal kwam de menselijke conditie me voor, dat we onderworpen waren aan de voortdurende worsteling om ons innerlijke leefklimaat onder controle te houden, alsof we een wolk waren die eeuwig en altijd in het rond werd geslingerd. Zoals te verwachten viel, nam mijn geest ook nota van dat inzicht en gaf het een plek: een zweem van verdriet." (Teju Cole, Open Stad, De Bezige Bij, 2012, p. 181)

Open Stad is niet meteen te vergelijken met andere romans die ik heb gelezen, tenzij met de geschriften van W.G. Sebald (1944-2001), waaraan ik, als (bescheiden) lezer en klerk in M., een baken heb en had, en waarmee Teju Cole, als schrijver, verwantschap lijkt te vertonen. Sebald heb ik al een geruime tijd geleden in mijn hart gesloten; voorlopig eerder intuïtief, zoals bijvoorbeeld ook, nog langer geleden, het denken van Christian Norberg-Schulz (genius loci), Martin Heidergger’s filosofie van het wonen of de idee van (bouwkundig) erfgoed als een fundamenteel mensenrecht, maar zonder de kansen te (kunnen) benutten ze diepgaander te bestuderen en eigen te maken. Maar nu M. binnen twee weken een afgesloten hoofdstuk zal zijn, dwingt de noodzaak te articuleren wat me daar elf jaar lang heeft gedreven; en misschien zal ook de tot een harde, weerbarstige knot verweven samenhang van mijn onderliggende motieven met de volle gedaante die ik ben, ontrafeld kunnen worden. Ik weet echt niet waar ik aan begin en, in de veronderstelling dat ik het volhoud, waarheen dit mij, via de sprongen en de zijwegen die ik mij moet veroorloven, zal leiden. Op zoek gaan ook, naar antwoorden op de vele vragen die uit de schimmige contouren vloeien van het portret dat ik tot hiertoe slechts in wisselvallige en ongelijktijdige pennentrekken van mijzelf heb kunnen schetsen.

II.

Over Sebald, Cole en hun verwantschap baseer ik me voorlopig op wat anderen hebben geschreven; misschien dat ik na volgehouden lezen en herlezen met mijn eigen stem indrukken en inzichten kan toevoegen. Volgens Stefan Hertmans, in diens verhelderende essay 'Literatuur als restitutie. W.G. Sebald en het geheugen' (Stefan Hertmans, De mobilisatie van Arcadia, De Bezige Bij, 2011, p. 228-237) staat in Sebald’s werken "niet zozeer het zoeken naar het verhaal achter de uiterlijke gebeurtenissen centraal, als wel de constructie van een historisch gebaseerd verhaal door het verbinden van gebeurtenissen en herinneringen" (Hertmans, p. 234-235). Sebald bediende zich hiertoe van "een met toewijding en aandacht beschrijven van elk betekenisvol detail, waardoor juist die ervaring kan oplichten die epifanisch inzicht verschaft in concrete, historisch geworden en door de tijd afgedekte samenhang" (Hertmans, p. 230). Ook Cole’s ogenschijnlijk plot- en structuurloze roman ontwikkelt zich via talloze indrukken, herinneringen, ontmoetingen, gebeurtenissen en historische feiten tot aaneengeregen "proeven van verbanden, vluchtige aanzetten tot een totaalbegrip van mens en wereld" (Jan Pollen, Een boek suggereert een conversatie).

In beider werken neemt het geheugen een belangrijke plaats in. Sebald was volgens Hertmans "geobsedeerd door de dialectiek van vergeten en herinneren, en de vreemde imaginatie die uit deze wisselwerking is ontstaan, vormt de hele magie van zijn indringende oeuvre" (Hertmans, p. 229). Sebald beschouwde echte literatuur niet als een vorm van "beschrijven om het beschrijven, maar van beschrijven om te bewaren, en vandaar ook: te begrijpen, diep te doorvoelen hoe het werkelijk is geweest" (Hertmans, p. 229-230) en dat, in Sebalds woorden, "misschien alleen om ons te helpen begrijpen dat er verbanden zijn die met geen enkele causale logica zijn te doorgronden" (Hertmans, p. 232). Cole: "Daarnaast gaat mijn roman over het geheugen. En als je realistisch over het geheugen wilt schrijven, blijkt dat geen strak laken maar een soort open patroon, een soort kant. Het is onvolmaakt, maar heeft zijn eigen samenhang" (NRC, 22 juni 2012).

Wanneer professor (leermeester?) Saito tegenover Julius, Cole's protagonist, mijmert over oorlog en vergeten, is het niet moeilijk voor te stellen hoe Sebald, die met De natuurlijke historie van de verwoesting een onvergetelijke(!) indruk heeft nagelaten, rondwaart in het met memorabilia afgeladen appartement van de zieke ouderling:
"Maar er kwam een einde aan de oorlog, zoals na verloop van tijd aan alle oorlogen, op zeker moment was de fut er gewoon uit. […] En nu, deze oorlog, dat is een mentaal gevecht voor weer een nieuwe generatie, jouw generatie. Er zijn namen van steden die bij jou een enorme afschuw wekken, omdat je geleerd hebt die namen in verband te brengen met gruweldaden, maar voor de generaties na jou zullen die namen nietszeggend zijn: het duurt niet lang voor zoiets vergeten is." (Open Stad, p. 209-210)
Dit brengt me op het appel dat van beide schrijvers op me uitgaat. Voor Sebald was "het kwaad een aspect van het menselijk vergeten. Mensen vergeten generatie na generatie wat er werd aangericht door hen die hun voorgingen en trekken er dan ook geen lessen uit. Vandaar dat herinneren niet zomaar een willekeurige functie van de geest is. […] Het aan de oppervlakte brengen van [die] epifanische inzichten vormt voor hem het morele gehalte van de literatuur. Vandaar dat schrijven, wil het betekenis hebben voor een samenleving, voor Sebald altijd een vorm van restitutie moet inhouden – recht doen aan hoe het werkelijk is geweest" (Hertmans, p. 230). In Open Stad spreekt Cole zich "ergens expliciet uit, maar je voelt onder elke regel de trage draaibeweging van de geest richting een nieuw levensgevoel. Teju Cole zet een (onderbouwde) stap naar betrokkenheid, engagement en een vrije integratie in een globaal systeem dat zich elke dag, elk uur herdefinieert, bijstuurt, afbreekt en herstelt." (Jan PollenAnders dan Cole/Julius neemt Sebald/diens verteller een duidelijke positie in:
"What ultimately drives Sebald’s narrator is not doubt, but desire: to believe in a shadow world; to find evidence of it in the wondrous impossibilities of the natural world; to tell stories of metamorphosis, and therefore to imagine the indestructibility of soul, being, or spirit. Through these desires, we escape the mourning that we each have equally inherited. Thus, unlike Cole and Lerner, Sebald does choose a position from where his narrator speaks. In grief yet also in wonder, he invites us to observe alongside him. What certainties arise from his observations? The history of our world, for Sebald, is like a thread of a thousand yards woven by silkworm. Our recent past has broken it irrevocably." (Vertigo)
III.

Sebald beschrijven als een moralist zou hem overigens volstrekt oneer aandoen; het is slecht één onderdeel van zijn bevlogen, omvattende en diepgravende melancholische en literair zeer hoogstaande verbeeldingskracht. Al op de eerste bladzijden van Austerlitz, dat een aanvang neemt met een gecondenseerde, maar indringende historische schets van het Centraal-Station van Antwerpen, werpt Sebald onze blik met een enkele penseelstreek op de melancholische ziel en de drijfveren van zijn schrijverschap:
"En zoals hij die eerste avond was geëindigd, zo zette Austerlitz de volgende dag, waarvoor wij hadden afgesproken op het wandelterras aan de Schelde, zijn beschouwingen voort. Hij wees naar het brede water waarin de ochtendzon blonk en vertelde over een schilderij van Lucas van Valckenborch, gemaakt omstreeks het midden van de zestiende eeuw tijdens de zogenaamde Kleine IJstijd, waarop de dichtgevroren Schelde vanaf de overkant is afgebeeld, en daarachter, heel donker, de stad Antwerpen en een strook van het vlakke land dat zich uitstrekt naar de zeekust. Uit de donkere hemel boven de toren van de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal valt een sneeuwbui, en daarginds op de rivier waarop wij nu zo’n vierhonderd jaar later uitkijken, zei Austerlitz, vermaken de Antwerpenaars zich op het ijs, gewoon volk met aardkleurige kielen aan en witkanten plooikragen om hun hals."
"Op de voorgrond, dicht bij de rechterhand van het schilderij, is een dame ten val gekomen. Ze draagt en kanariegele jurk; de cavalier die zich bezorgd over haar heen buigt een rode, in het vale licht zeer opvallende broek. Als ik nu naar die rivier kijk, zei Austerlitz, en aan dat schilderij met zijn kleine figuurtjes denk, heb ik het gevoel dat het door Lucas van Valckenborch weergegeven ogenblik nooit voorbij is gegaan, dat de kanariegele dame pas zojuist is gevallen of bewusteloos geraakt, dat haar zwartfluwelen muts net pas naast haar hoofd is gerold, dat het kleine ongeluk waaraan de meeste beschouwers ongetwijfeld voorbijzien, telkens opnieuw gebeurt, dat het nooit meer ophoudt en door niets en niemand meer goed te maken valt." (W.G. Sebald, Austerlitz, p. 16-17)

En zo ik pas deze ochtend, op donderdag 18 april, besluiten kon deze passage uit Austerlitz en een fotografische reproductie en een detailopname van het schilderij als illustraties toe te voegen, zo moet ik nu, nu ik er op Wikipedia een korte biografie van de voor mij onbekende schilder op nakijk, tot mijn verbijstering vaststellen dat ‘het kleine ongeluk’ zich opnieuw voltrekt, dat Sebald als een vanuit de tijd vooruit gezonden boodschapper naast me staat, met een minzame en berustende grootvaderlijke arm om mijn door dit kleine toeval en door mijn treurnis bezwaarde schouders: Lucas van Valckenborch (1535-1597) zou wellicht zijn opleiding hebben genoten in M., net zoals ik in M. mijn ogen aan het vak heb toevertrouwd; alleszins staat hij er vermeld in het register van de plaatselijke Sint-Lucasgilde.

Het samenbrengen en bewaren van betekenisvolle ‘details’ en er, melancholisch pendelend tussen verdriet en vreugde, een omgang mee zoeken in het heden en voor de toekomst, dat was hoe ik met mijn hele gedaante en levensgevoel mijn taak in M. nog verder had willen volbrengen...